Vriendschap - 17 september 2011
Sinds de man zijn grot heeft verruild voor een rijtjeshuis op een vinexlocatie van een middelgrote provinciestad en zijn carrière van mamoetjager heeft verruild voor die van internal process redesign assistent controller zijn er momenten dat hij er even tussenuit moet om zijn medeholbewoners in een ontspannen omgeving te treffen. Oftewel, vriend T en ik gaan naar de kroeg.

Een avondje kroegen met Vriend T is geen echte avond als we het niet over onze vriendschap hebben gehad. Dat gaat meestal zo:
“Hoelang kennen we mekaar nou al, vriend T?”
“Weet ik veel, 12 jaar ofzo”
“Als we de komende 12 jaar net zo oppervlakkig met elkaar om gaan als de vorige, dan stop ik er dus mee…”
“Ja, uuh… Ik bel je dus niet elke dag, want ik denk daar zit je niet op te wachten. Ik laat je in je waarde.”
“Dat weet ik, T, daarom hou ik ook zoveel van je”
(we eindigen in een innige omhelzing, realiseren vervolgens dat we in een kroeg staan, laten los, vouwen onze kleding recht en bestellen bier).

Met een zwaai gaat de deur open, vriend T en ik kijken op van de bar en wie staat daar… mevrouwtje M. Zij is een kennis van een kennis van lang vervlogen tijden. Ze oogt heel 1984 en ze is aangeschoten.

‘He Deeej Jeej’ en ze houdt zich vast aan de bar. We doen een babbeltje en een drankje (echt geen frisje, M?) en daarna gaat de beerput open. Want ik had ooit gezoend etc. met een vriendin van haar en toen we ermee stopten (ok ok, toen ik het uitmaakte) was zij heel erg verdrietig. Mevrouwtje M heeft al die ellende aan moeten horen. Ze is spontaan haar vertrouwen in mannen verloren. Mijn schuld. Ze is inmiddels ergens midden dertig en ze heeft een (soortvan) relatie met een getrouwde vent van tegen de vijftig. Ik knik beleefd en nip wat van mijn bier. “Hoe is het met die vriendin afgelopen” vraag ik uit belangstelling. Ze draait zich resoluut om en gaat met Vriend T praten. Haar vrind van bijna vijftig draait zich naar mij toe en vraagt “Makker, wat doe jij zoal?”

Wanneer het licht aangaat en de muziek stopt, wanneer de mensen de portemonnee pakken en hun jas aantrekken, dan is het tijd om naar huis te gaan. Ik niet, ik sta even later met een doekje de WC’s schoon te poetsen, vriend T staat met een trekker in zijn hand de vloer te drogen. Wanneer de marktlieden hun kraampjes opzetten en de jongens de kranten bezorgen, fiets ik naar huis. Ik hoef mijn licht niet meer aan te doen.




corina - 26 oktober 2008
je mag hier de wc ook best schoon komen maken hoor...


Plaats een reactie
Naam:
Code: Vul deze 4 cijfers in bij Code.
Reactie: